‘Wie heeft jou gevangengezet?’ vroeg de begeleider. Tegenover hem zat een vrouw, geaard, stevig, gesloten. Zo’n vrouw waar het hart…
Aan de bedrand

Een hospice, de plek om de genade van de dood te vinden. Goed verzorgd, vriendelijke mensen. De begeleider komt op bezoek.
‘Hoe gaat het?’ ‘Beroerd’. De man lag in het bed, op zijn rug, het hoofd iets naar rechts gedraaid om de bezoeker te kunnen zien. Nog maar kortgeleden stond er een burcht, fanfare op de kantelen, vrolijk wapperende vlaggen en een neergelaten slotbrug. Nu lag hij daar, getroffen door de zeis van de dood, het leven lekkend uit zijn klamme lijf. De tijd van de vraag ‘Hoe gaat het?’ was al ruimschoots voorbij.
De begeleider pakte zijn hand. ‘Je hebt niet lang meer’, constateerde hij. ‘Dit wordt waarschijnlijk de laatste keer dat we elkaar kunnen spreken’. De man knikte opgelucht. ‘Ik ben die vluchtpraatjes zo zat’, mopperde hij. ‘Ik ben te moe om er nog op te reageren’.
‘We gaan geen tijd verspillen’, besloot de begeleider. ‘Ik heb wat voor je meegenomen’. Hij trok een envelop uit zijn jaszak en nam er een papier uit. Hij gaf het papier aan de stervende man. De yogiman, een man tot bal gevormd in diepe treurnis, neergezet in stevige zwarte lijnen. De man in het bed keek ernaar. Hij bleef een tijd stil. Zijn geest reisde naar het beeld en dwaalde weg in de mist van zijn bewustzijn om dan toch weer tot het beeld terug te keren. ‘Dat ben ik’, constateerde hij na een poos. ‘Dat ben jij aan de buitenkant’, bevestigde de begeleider. ‘Kijk maar goed’. Dat was veel gevraagd. De aandacht van de stervende man danste door de ruimte maar kwam steeds weer terug. ‘Buitenkant?’, mompelde hij. ‘Hij verbergt iets van binnen’, wist de begeleider. ‘Daarom zit hij als een bal’. Weer kostte het tijd om de nodige energie te verzamelen. ‘Dat ben ik’, knikte hij uiteindelijk. ‘Je weet best wat erin zit’, constateerde de begeleider. De man lag doodstil. Hij sloot de ogen en reisde naar binnen. De tijd verstreek. Het was doodstil. Het kostte de begeleider moeite om niet te bewegen en niet te spreken. Zelfs het tikken van een klok bleef weg, een geluid dat in deze situaties nog wel eens wil helpen. Hij hield zijn volle aandacht gericht op de man in zijn sterfbed. En dan, uiteindelijk, fluisterde hij het verboden woord. ‘Liefde’, fluisterde hij. De begeleider boog zich naar de man en kustte zijn voorhoofd. ‘Liefde’, gaf hij terug. Het bleef lange tijd stil. De begeleider zat naast het ziekbed, beide mannen teruggetrokken in hun eigen binnenwereld. De een lag met gesloten ogen op bed. De ander waakzaam, wachtend op een teken van leven. Het bleef stil.
Uiteindelijk stond de begeleider op. ‘Ik ga’, zei hij. ‘Goede reis’.
Tot zijn verbazing verscheen er een glimlach op het gezicht van de man.
‘Ik ga gestrekt’, fluisterde hij.
‘Geen yogiman?’, vroeg de begeleider.
Hij schudde zijn hoofd en bleef glimlachen.
De begeleider veegde een traan weg en verliet het kamertje.

